GODSDIENSTLES OP DE BASISSCHOOL
Ondanks de liberaal-politieke druk om godsdienstige opvoeding op school in het verdomhoekje te
stoppen en de subsidie voor bijzonder onderwijs af te schaffen, blijken de meeste Nederlanders
het nog steeds belangrijk te vinden dat kinderen op de basisschool respect wordt bijgebracht
voor het christendom en andere religies. Meer dan de helft van de Nederlanders vindt zelfs dat
godsdienstles een verplicht vak op de basisschool zou moeten zijn. Waar de kerken dus met
achteruitgang te maken hebben, is godsdienstonderwijs nog steeds voor veel mensen van grote
betekenis. Dit blijkt uit een onderzoek van het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut, het
KASKI.
Bijna zeven van de tien Nederlanders – ook als ze zelf niet praktiserend gelovig zijn – vinden
het van belang dat kinderen de betekenis van het christendom voor onze cultuur op school leren
kennen, dat ze kennis maken met de bijbel en bijbelse figuren, en dat hen een aantal normen en
waarden wordt bijgebracht. Volgens onderzoeker Gert de Jong wijzen de onderzoeksgegevens
van het KASKI er op dat in onze huidige samenleving ondanks de ontkerkelijking nog steeds
veel belang wordt gehecht aan godsdienstkennis en respect voor elkaars godsdienstige
overtuiging.
Anders dan op openbare scholen is godsdienst op katholieke en protestantse scholen vrijwel
altijd een (verplicht) vormingsgebied; ‘onze’ twee katholieke basisscholen Berkeloo en St.
Caecilia vormen daarop geen uitzondering. “Dat levenbeschouwing bij ons nog steeds op het
lesrooster staat, heeft enerzijds te maken met de traditie waaruit wij zijn voortgekomen,
anderzijds met het belang dat wij als schoolteam hechten aan het levend houden van de
christelijke traditie en de daarbij behorende verhalen”, zegt Ton van den Boom van basisschool
Berkeloo. Voor Theo van Tilburg van basisschool St. Caecilia geldt hetzelfde uitgangspunt:
“Hoewel het godsdienstonderwijs in de loop der jaren sterk is veranderd, is de christelijke
levensvisie nog steeds een belangrijke inspiratiebron voor onze school. Maar kennisoverdracht
is naar de achtergrond verdwenen en we spreken nu van levensbeschouwelijk onderwijs. Wij
streven ernaar om onze kinderen (ook de niet-katholieke) waarden en normen bij te brengen
waarbij de nadruk ligt op wederzijds respect en gelijkwaardigheid. De resterende
kennisoverdracht beperkt zich al lang niet meer tot kennis van de katholieke kerk; iedere school
is zelfs wettelijk verplicht leerlingen kennis bij te brengen over alle grote
levensbeschouwingen.”
Beide schoolteams besteden er veel zorg aan om deze uitgangspunten dagelijks concreet handen
en voeten te geven op school. Theo van Tilburg: “Concreet betekent dit dat we onze kinderen
willen leren op een goede manier met elkaar om te gaan, samen te werken, respect voor elkaar
te tonen, zorgzaam voor elkaar te zijn. Alleen dan kun je met elkaar in een gezellige sfeer
werken en feest vieren!” Natuurlijk is dit alles voor leerkrachten niet altijd even gemakkelijk,
bekent Ton van den Boom eerlijk: “Van hen wordt immers verwacht dat ze overal terzake
kundig in zijn en standpunten innemen. Wij zijn als team lang op zoek geweest naar een
passende leergang voor dit vormingsgebied. Momenteel werken we enthousiast met de methode
Hellig Hart: een levensbeschouwelijke methode die kinderen wil vormen tot mensen die bewust
kiezen voor de ander. Maar daarvoor moet je wel weten welke keuzes er te maken zijn en op de
hoogte zijn van goede voorbeelden. Verhalen uit alle godsdiensten en mensen met allerlei
achtergronden kunnen daarbij een rol spelen. De methode biedt onze leerkrachten gelukkig veel
ruimte: er kunnen voldoende leerstofkeuzes worden gemaakt, zodat iedere leerkracht lessen kan
kiezen die hem of haar het beste liggen. Op deze manier kunnen zij het enthousiasme en de
motivatie ook op onze kinderen overbrengen.”
Uit het onderzoek van het KASKI bleek desondanks, dat het de meeste mensen toch vooral om
kennis en begrip van godsdienst te doen is: 86% van de ondervraagden gaf als motivatie aan dat
kinderen daardoor de Nederlandse geschiedenis en cultuur beter leren begrijpen, en later beter
zelf kiezen of ze zich bij een kerk of godsdienst willen aansluiten. KASKI-onderzoeker Gert de
Jong tekent daarbij aan: “Het is overigens maar de vraag of dit niet een overschatting van de
impact van de godsdienstles inhoudt. Kennis van geloof en godsdienst is wel een noodzakelijke,
maar zeker niet een voldoende voorwaarde voor een keuze voor geloof, zo blijkt uit veel
godsdienstpedagogische literatuur. Ouders overschatten waarschijnlijk de reikwijdte van de
godsdienstles op school.” Theo van Tilburg kan zich daarin goed vinden: “Door de
ontwikkelingen van de laatste jaren bestaat het gevaar dat de historische band met de parochie
geleidelijkaan verdwijnt. Wij proberen deze band echter zo goed mogelijk vast te houden.
Vieringen – ook die rond Kerstmis en Pasen – nemen op onze school een belangrijke plaats in.
Soms nodigen wij de pastor op onze school uit om te komen vertellen over zijn rol in de
parochie of met de kinderen het kerkgebouw te bezoeken. Maar hoe dan ook: duidelijk is wel,
dat de kerkelijke opvoeding niet meer op school plaatsvindt, maar thuis in het gezin of in de
parochie.” Ook Ton van den Boom wijst erop, dat de rol van de school slechts beperkt is:
“Thuis gebeurt veel meer. Of misschien mag ik zeggen: zou veel meer moeten gebeuren. Ouders
zouden immers betrokken moeten zijn, het voorbeeld geven, voorleven, vertellen, doen. Alleen
dan is er een goede voedingsbodem en kan de school haar aanvullende rol waarmaken.
Andersom werkt het echt niet. Dat geloven wij heilig!”
Jan Simons
Terug naar
overzicht