BENEDICTIJNSE TIJD: HET NU
ANDERS BELEVEN
door Geert A.M. Derkse
Het geregelde leven in een abdij waar 'het klokje van gehoorzaamheid' de
monniken zeven maal per etmaal oproept om het werk neer te leggen en samen
te komen voor gebed, roept voor menigeen buiten deze plekken van bidden en
werken wellicht beklemmende gevoelens op. Het benedictijns omgaan met tijd
kan echter een heel ander perspectief op tijd opleveren dan we gewend zijn.
Een perspectief waarin je niet alleen beter weet waar je aan toe bent, maar
ook het moment zelf kunt beleven door de kloktijd los te laten om in
vrijheid met je tijd om te kunnen gaan.
Ik was zeventien toen ik voor het eerst bij de
Benedictijnen over de vloer kwam; dat was in de Sint Willibrordsabdij achter
Doetinchem - de Slangenburg. Hoewel goed katholiek opgevoed - misdienaar en
acoliet, broederschool, middelbaar op het Dominicus -, was dit een nieuwe
wereld voor me. De abdij lag afgezonderd in de bossen van de Achterhoek, de
monniken liepen in habijt, liturgische vernieuwing werd er niet met
hoofdletters geschreven en het was er stil: ik heb er de eerste jaren dat ik
er kwam menig eenzaam moment doorgebracht. Naderhand ben ik de stilte steeds
meer gaan waarderen.
Maar bovenal was het leven er geregeld: hoe laat er gegeten wordt, wie waar
zit, wat wanneer gedaan moet worden en vooral wanneer er gebeden wordt. Als
scholier was ik wel 'orde' gewend, maar dit was anders. Hier luidde letterlijk
en figuurlijk een klokje van gehoorzaamheid en iedereen hield zich er ook aan!
Die orde was verstikkend - dacht ik zo: alles moest op bepaalde tijden, er was
daardoor geen enkele vrijheid, geen plaats voor spontaneïteit. Maar zoals na
verloop van tijd de stilte een plaats in mijn leven kreeg, zo bleek ook de
ordening voor mij aan zinvolheid te winnen.
Wie weet dat het geregelde bestaan van de monnik, dit zó omgaan met de tijd
een ander perspectief op tijd kan bieden.
Grote en kleine uren
In de dagorde van de monnik valt de centrale plaats op voor het
gemeenschappelijk gebed, dat het Opus Dei, het werk Gods genoemd wordt.
In het enige werk dat van Benedictus van Nursia bekend is - zijn Regel voor
monniken - wordt dit gemeenschappelijk gebed geregeld in de hoofdstukken
acht tot en met twintig. Zeven keer per dag komen de monniken bijeen, waarbij
Benedictus verwijst naar psalm 119 (RB 16, 2-3). Daarnaast komen de
monniken ook nog een keer aan het einde van de nacht bij elkaar (RB 8).
De dag van de monnik wordt zo bepaald door de metten, de lauden, de prime, de
terts, de sext, de noon, de vespers en de completen, waarmee voor het slapen
gaan de dag beëindigd wordt, compleet gemaakt wordt. Benedictus geeft in deze
hoofdstukken ook nauwkeurig aan wat er in al die gebedsdiensten gedaan moet
worden en op welke wijze: zo wordt in een week tijd het hele psalterium rond
gezongen (RB 18, 23)!
Van al deze gebedsdiensten zijn de metten, de lauden en de vespers de grote
uren, terwijl de andere de kleine uurtjes genoemd worden. Die grote uren
kunnen van een half uur tot een uur duren, de kleine uurtjes een kwartier. In
een beetje abdij begint de dag op die manier rond een uur of vier, vijf in de
ochtend en wordt al gauw een uur of drieënhalf, vier doorgebracht met
gemeenschappelijk gebed.
Metten
Aan het einde van de nacht - ook in
de zomer nog vóór de dageraad - begint de dag met de metten die ook wel
vigilie genoemd worden; vigilie komt overigens van vigilare dat 'waken'
betekent. Het is veruit de langste gebedsdienst, want Benedictus schrijft in
zijn Regel voor dat maar liefst twaalf psalmen gezongen worden, afgezien van
lezingen, een hymne, responsories en een litanie (RB 9)! De wereld is
op dit moment nog niet wakker en toch begint híer de dag: wie wel eens laat
van een feestje is thuis gekomen, heeft beslist - nog vóórdat het licht werd
- de merel gehoord. Het is de gebedsdienst waar vooral geluisterd wordt. Hier
heerst de duisternis, die mogelijk iets beangstigends heeft, maar ook iets
vertrouwds, want de duisternis omhult alles, mij inbegrepen: "Ik stel
vertrouwen in de nacht", zo dicht Rainer Maria Rilke in zijn Getijdenboek.
En ín die duisternis schijnt licht. Wie goed kijkt, weet in die duisternis
licht te ontdekken. Een nutteloos moment, zo aan het begin van de dag, waar in
overvloed rust bestaat!
Lauden
Wanneer het licht wordt, worden de
lauden gezongen. De monnik David Steindl-Rast voert in zijn beschrijving van
de lauden een engel ten tonele, die de lauden verbeeldt: "Het buitenste
gewaad is nog donker, maar daaronder gloort de roze dageraad met het goud van
de eerste zonnestralen" (Steindl-Rast, p. 47). Weer staan de psalmen
centraal - hoewel niet met de overvloed van de metten. Er is tijd voor een
lezing, er is een hymne, een kantiek, een litanie en gebed (RB 12-14).
Een moment waarop de monnik zich realiseert dat hem een nieuwe dag wordt
geschonken en hij zich de vraag stelt "met welke houding hij deze dag
tegemoet moet treden" (Steindl-Rast, p. 61).
Prime
Met de prime begint de werkdag:
Steindl-Rast noemt het een "doelbewuste start". De engel die hij bij
dit moment van de dag schildert, heeft "het stralendste gezicht, omdat
het de zon weerkaatst en bespeelt de trom om ons voor te bereiden"
(Steindl-Rast, p. 70). Benedictus schrijft drie psalmen voor, een hymne, een
lezing en een vers (RB 17, 2-4). Met de vraag wat we vandaag gaan doen,
gaat de monnik aan de slag!
Terts, sext en noon
De terts, de sext en de noon -
samen met de prime de korte gebedsuren - kennen eenzelfde opbouw (RB 17, 5).
Zij markeren het verloop van de dag, maar ieder met een eigen karakter.
Zo wordt de sext op het midden van de dag gezongen. Rond het middaguur valt
het keerpunt van de dag: het enthousiasme van de ochtend is voorbij, er is de
verleiding tot luiheid, om wat in te zakken, het noen-duiveltje ligt op de
loer. De engel van de sext blaast uit alle macht op zijn trompet: "Dit
uur roept ons op de moed te verzamelen om op koers te blijven, de rest van de
dag trouw te blijven aan onze idealen" (Steindl-Rast, p. 97).
Vespers
Als de avond valt - wanneer de
werkdag voorbij is - worden de vespers gezongen, het plechtige avondgebed. Na
de vaste opening - "God, kom mij te hulp, Heer haast u mij te
helpen" - laat Benedictus de monnik een hymne zingen, enkele psalmen en
een antifoon en volgt een gebed; iedere dag wordt ook het Magnificat,
de lofzang van Maria gezongen, een hymne die de bevrijding viert (RB 18, 1;
12-18). Het is het uur dat tot innerlijke vrede nodigt, waarop de
brokstukken van de dag bij elkaar geveegd worden en de tegenstellingen
verzoend worden.
Completen
Zoals de dag begon in het
donker, zo eindigt ze ook. Vóór het slapen gaan komen de monniken nog één
keer bij elkaar, nu voor de completen. Benedictus schrijft drie psalmen voor,
elke avond dezelfde: 4, 91 en 134 (RB 18, 19); psalmen die een geweldig
gevoel van vertrouwen geven en die zo ook heel vertrouwd worden. Henri Nouwen
- die zeven maanden in de Trappistenabdij van Genesee verbleef - schreef
daarover: "Ik merk nu dat de psalmen van de completen geleidelijk aan een
deel van mezelf worden, me in het bloed gaan zitten, deel gaan uitmaken van
mijn nacht en me naar een vredige slaap voeren (...) Langzaam dringen deze
woorden door tot diep in mijn hart" (Nouwen, p. 103-104). Na een kort
gebed en een zegen en nadat de abt ook alle monniken afzonderlijk heeft
gezegend, worden de completen afgesloten met een Maria-antifoon, zoals het Regina
Coeli of het misschien bekendere Salve Regina. Op de Slangenburg
gaat dan in het kerkje het licht uit, alleen het Mariabeeld is verlicht. Niets
is nuttelozer dan een stel volwassen mannen die in het schemerduister een oud
Marialiedje zingen!
|
«
Benedictus hield bij zo ongeveer alles rekening met de menselijke maat
»
|
In menig abdij wordt overigens met een zekere souplesse omgegaan met de
nauwkeurige voorschriften voor het Opus Dei: niet overal worden alle kleine
uurtjes onderhouden, soms worden ze op een of andere wijze gecombineerd. Op de
Slangenburg beginnen de metten sinds een jaar pas om half zeven - er zijn nog
maar vijf, zes broeders, waarvan drie toch wel hoogbejaard genoemd mogen
worden - en 150 psalmen in één week worden echt niet overal gehaald! Maar
dat mag ook, dat is echt benedictijns, want Benedictus houdt bij zo ongeveer
alles rekening met de menselijke maat. Als de omstandigheden tot andere
regelingen dwingen, kan dat (bv. RB 40, 5 of 41, 4); wanneer een
zwakkere monnik iets niet kan opbrengen, mag een sterkere broeder daar zeker
niet schamper over doen (RB 40, 4). Alleen over het hele psalterium in
één week is Benedictus nogal strikt (RB 18, 23), want "wij lezen
immers, dat onze heilige Vaders met ijver ditzelfde op één dag verrichtten,
wat wij, lauwe monniken, toch wel in een hele week mogen doen" (RB 18,
25), hoewel zelfs dat nog als een vorm van Benedictus' souplesse uitgelegd
mag worden!
Tijd in benedictijns perspectief
De eerste jaren dat ik op de Slangenburg kwam, ervaarde ik het zo
geregelde bestaan als beklemmend, hoewel tijdens periodes van verveling het officie
- zo wordt het Opus Dei ook wel genoemd - ook een welkome afwisseling was.
Maar Benedictus verwacht van de monnik dat hij, op het moment waarop hij het
signaal hoort voor het officie, alles waar hij mee bezig is, laat liggen en
zich spoedt naar de plaats van het gebed (RB 43, 1). Dat leek mij in
die beginjaren heel rigide. Ik ben van een generatie (1956) die met vrijheid
is opgegroeid, zowel letterlijk als figuurlijk: alles moet kunnen en als je er
(geen) zin in hebt dan doe je het gewoon, of niet.|
Het heeft me wel enige tijd gekost de positieve
kant van dit zo omgaan met tijd te ontdekken, maar het is als 'vanzelf'
gelukt, om maar niet van 'genade' te spreken.
Heldere ordening
Een eerste voordeel is natuurlijk dat je op die manier weet waar je aan
toe bent. Je weet wanneer je wat moet doen. Deze ordening biedt helderheid! De
ordening geldt namelijk niet alleen het gebed, maar ook al het andere - in het
benedictijnse leven: studie, werk, ontspanning, eten en slapen. Wanneer voor
iets tijd gegeven is, tijd staat, dan weet je ook dat je die tijd hebt en kunt
gebruiken! Wat dán gedaan moet worden, kan dan ook écht gedaan worden, want
je hebt er de tijd voor - helemaal. Een leerling die echt niet weet te
studeren, geen structuur in de aanpak weet te brengen en maar voortmoddert,
raad ik soms een methodiek aan die ik van Umberto Eco heb afgekeken: studeer
niet twee uur achter elkaar, maar eerst een half uur, neem dan vijf minuten
pauze - maar ook niet meer -, studeer vijfentwintig minuten, weer vijf minuten
pauze, nog eens vijfentwintig minuten studie, vijf minuten pauze en tot slot
weer vijfentwintig minuten studie. Mijn ervaring leert dat zo'n leerling na
die vijf minuten precies dáár verder kan gaan waar hij vóór de pauze
ophield. De pauze is de beloning voor het geconcentreerd studeren - een klein
half uur is meestal wel op te brengen -, zonder de studie echt te onderbreken.
En het rendement is heel wat groter!
Betrokkenheid en toewijding
Ik ervaar ook een voordeel in de betrokkenheid waarmee iets gedaan kan
worden. Hier geldt geen 'misschien' of 'ik zie wel', maar hier wéét ik dat
iets gedaan moet worden - en dan ook helemaal. Daarom is het woord
'betrokkenheid' mogelijk niet sterk genoeg, maar zou ik misschien het woord
'toewijding' moeten gebruiken.
Het weten waar je aan toe bent en deze betrokkenheid, deze toewijding leiden
als vanzelf tot gericht zijn op waar het in je leven uiteindelijk om gaat.
Esther de Waal - een Engelse vrouw die ik graag als de hedendaagse aartsmoeder
van benedictijnse lekenspiritualiteit koester - schrijft in haar commentaar op
hoofdstuk 43 waar Benedictus de monnik oproept alles waar hij mee bezig is
neer te leggen wanneer hij het signaal hoort voor het gebed: "I have a
very simple prayer schedule, one that is reasonably flexible because it has to
change to the circumstances of my life (dat is dus echt benedictijns, GD).
I know how easy it is to let it slip, in the morning to hear my alarm and to
switch it off telling myself that it does not really matter, or in the evening
to let other things crowd instead. But is does matter. That is what Benedict
is saying here. I have an assignation with God and I must keep it, for in the
end it is simply the most important thing in life" (De Waal, p. 132).
|
« Betrokkenheid en toewijding leiden als
vanzelf tot gerichtheid waar het in je leven uiteindelijk om gaat »
|
Beleving van het moment
Maar het allergrootste voordeel vind ik in de andere ervaring van tijd.
Wanneer ik aan iemand vraag hoe het gaat, is er een grote kans dat ik als
antwoord "druk-druk-druk-druk" krijg. Ondanks alle
arbeidsduurverkorting - de werkweek is nu 36 uur, tegen 44 in mijn jeugd en er
zijn heel wat meer vrije dagen - hebben mensen het drukker dan ooit. Van alles
moet gepland worden: organizers, schema's, agenda's, zelfs voor kinderen met
hun trainingen, wedstrijden, baantjes en uitgaan! Terwijl de lineaire visie op
tijd - die toch kenmerkend is voor ons westers denken - drie elementen
kent (verleden, heden en toekomst), lijkt het er volgens Steindl-Rast op dat
wanneer "de tijd als een lijn voorgesteld wordt die van het verleden naar
de toekomst leidt, het verleden de toekomst voortdurend helemaal opeet"
(Steindl-Rast, p. 20). Volgens hem zijn we óf het verleden aan het herkauwen
óf maken we ons zorgen over de toekomst: nog voor de éérste stap gezet is,
denkt de mens al aan de tweede. Zó is er geen tijd voor het nu! In de
benedictijnse ordening - waar bepaalde dingen op bepaalde momenten gebeuren -
is er juist wél plaats voor het nu. Ik beleef zo heel sterk het moment waarop
iets gebeurt, moet gebeuren.
Kloktijd loslaten
In onze gewone tijdsbeleving is een uur een nauwkeurige eenheid. Mijn
Encarta encyclopedie geeft aan dat een uur een tijdseenheid van 3600 seconden
is! En her en der hangt aan de muur een bordje met daarop de spreuk dat ook
het zwaarste uur zestig minuten kent. Des te vreemder dat er in een abdij grote
en kleine gebedsuren bestaan, die soms een half uur, soms een
heel uur en dan weer een kwartier beslaan: allemaal uren! Het Griekse
woord hora betekende volgens Steindl-Rast oorspronkelijk iets heel
anders dan een eenheid van tijd die uit zestig minuten bestaat. Het is geen
numerieke maat, maar een zielemaat. Zoals een jaargetijde een stemming is, een
ervaring is - soms begint de lente voor je gevoel al vóór 21 maart -, zo
hebben ook de uren hun eigen karakter: het licht van de vroege ochtend is heel
anders dan het licht van de vallende avond.
Dát is nu het benedictijnse perspectief op tijd: ik laat de gewone klok-tijd
los en stap in "de innerlijke structuur voor (en van, GD) een
bewuste en verantwoorde levenswijze waarmee de stadia van de dag tegemoet
worden getreden. Deze tijdsbeleving (...) maakt ons gevoelig voor de nuance
van de tijd. Naarmate die gevoeligheid zich verdiept, staan we meer open voor
het moment zelf" (Steindl-Rast, p. 17). Op die manier namelijk luisteren
we naar de situatie waar we ons in bevinden en geven we gehoor aan wat die
situatie, wat elk uur met zich meebrengt. In dit perspectief is een uur geen
uur, geen zestig minuten of 3600 seconden, maar is het een volledig beleven
van de situatie waarin ik sta. En zo kan het gebeuren, dat we even heel intens
leven en de tijd als het ware stilstaat, of juist in een flits voorbijgaat.
Dit doen wat op dit moment gedaan moet worden, gaat volgens Steindl-Rast in
een klooster weliswaar makkelijker, "maar de houding die erachter zit, is
iets dat mensen van elke levenswandel zich eigen kunnen maken"
(Steindl-Rast, p. 22). En zo is de ordening die ik op de Slangenburg leerde
kennen niet verstikkend maar biedt ze juist vrijheid: de vrijheid om wat nú
gedaan moet worden helemaal en goed te doen en daarna wat dán gedaan moet
worden ook weer helemaal en goed te doen! Op die manier word ik niet langer
door de tijd beheerst, geregeerd, maar kan ik door het nú te beleven, in
vrijheid met de tijd omgaan. "Een van de redenen waarom de monniken hun
werk meteen neerleggen als de bel gaat, is juist aan zichzelf te bewijzen dat
ze niet onder het juk van het werk leven, maar dat het ze vrij staat het te
laten voor wat het is zodra het daarvoor tijd is" (Steindl-Rast, p. 73).
|
« Het benedictijnse perspectief op tijd eist
geen alleenrecht op en verkettert ons gangbare perspectief niet »
|
Geen alleenrecht
Het benedictijnse perspectief op tijd - de term heb ik zelf maar
verzonnen; ik heb nog nooit een monnik zoiets horen zeggen - bevalt me wel.
Dat geldt trouwens voor heel wat meer uit de benedictijnse traditie. Op de
Slangenburg kom ik nog steeds, ik ben zelfs officieel toegetreden tot de
abdijgemeenschap: sinds 1992 ben ik oblaat, zeg maar lekenlid en
probeer ik (de inspiratie van) de Regel van Benedictus zo goed en zo kwaad -
vooral dat laatste in mijn geval - als het gaat in mijn leven te volgen en
vorm te geven.
Het aardige nu van dat benedictijnse perspectief op tijd is dat het geen
alleenrecht opeist en ons gangbare perspectief op tijd niet verkettert. Het is
er gewoon, het nodigt uit. In mijn ervaring als afdelingsleider komt het maar
al te vaak voor dat ik een afspraak ergens tussen moet persen, of dat ik geen
tijd heb of gewoon geleefd wordt door wat zich aandient. En ook in mijn
privé-leven gebeurt het meer dan eens dat ik te haastig ren, denk dat ik het
'druk-druk-druk-druk' heb en de agenda van mijn palmtop raadpleeg. Maar als ik
weer eens geen tijd of geen zin heb, geen kans zie om de dag met mijn eigen
lauden te beginnen of de dag vóór het slapen gaan compleet te maken, dan
wéét ik dat mijn broeders - en zusters - wél tijd hebben en me telkens weer
de kans bieden om - óók op afstand - in hun tijdsperspectief te stappen!
* * *
Tot slot: wie mocht denken dat een abdij een
plaats vol heiligen is, dat Benedictus met zijn Regel - zijn "bescheiden
regel voor beginnelingen" (RB 73, 8), zoals hij zelf zegt -
heiligen wil kweken, heeft het bij het verkeerde eind! Aan het slot van
hoofdstuk 57 schrijft Benedictus dit kleine advies - dat voor sommigen ook een
devies is: "opdat God in alles verheerlijkt worde - ut in omnibus
glorificetur Deus" (RB 57, 9). Heiliger kan bijna niet, zou je
zo zeggen. Maar dit hoofdstuk gaat over de produkten van het klooster, die
altijd een beetje lager geprijsd moeten zijn dan mensen buiten het klooster
kunnen doen. Ook in zoiets profaans als zaken doen, moet God verheerlijkt
worden!
GERAADPLEEGDE EN AANGEHAALDE LITERATUUR
- De Regel van Sint Benedictus; vertaald en ingeleid door F. Vromen
OSB, Slangenburg, 1973.
- Henri Nouwen, Vreemdeling in het paradijs; Zeven maanden in een
trappistenklooster, Tielt, 1997.
- David Steind-Rast, De muziek van de stilte; Een dag uit het
kloosterleven, Utrecht, 1996.
- Esther de Waal, A Life-Giving Way; A Commentary on the Rule of St
Benedict, London, 1995.
Dit artikel van Geert A.M.
Derkse verscheen eerder in het tijdschrift Verbum 1999/7-8.
Terug naar
overzicht
|
|