TIJD DOOR DE TIJD HEEN
In de loop van de geschiedenis hebben mensen
steeds heel verschillend tegen "tijd" aangekeken. In dit overzicht
lopen we met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de tijd heen.
Oudheid
In de oudheid is er vrijwel geen notie van het begrip tijd of kalender.
Men oriënteerde zich vooral op de maanstanden om geschikte momenten vast te
stellen voor de jacht, het voorspellen van regen of gunstige voortekens voor
ingrijpende gebeurtenissen. De Egyptenaren oriënteerden zich vooral op de
zon. De groei van de gewassen gaven tevens ook het ritme van het leven aan
(kosmische ritmen).
Romeinse tijd
In de Romeinse tijd ontstaan de eerste kalenders. Deze kalenders gaven
een cyclus van wederkerende natuurfenomenen aan (cyclische tijdsopvatting). De
kalender was aanvankelijk een machtsmiddel voor enkelingen om de tijd naar
eigen hand te zetten. Vanaf Julius Caesar werden deze kalenders
toegankelijker. Voor de gewone burgers echter bleven vooral de maan, de
sterren en de seizoenen van belang, en niet de kalender.
Christendom
Voor het opkomend christendom was de aardse tijd in principe van weinig
belang en meer een noodzakelijk kwaad dat je maar moest verdragen. Augustinus
(rond 400 n. Chr) bepaalt sterk het denken over tijd en plaatst de
veranderlijke tijd in contrast met de onveranderlijke eeuwigheid. De
christelijke tijdsfeesten werden afgestemd op die van de "heidenen"
(zonnewende- Kerstmis enz.). Benedictus (grondlegger van veel kloosterorden)
kwam met een revolutionair tijdsidee: vaste tijden voor elk soort werk (het
rooster). Alles, zelfs lichaamsfuncties zijn ondergeschikt aan een zeer
gestructureerde tijdsorde (Benedictijnse tijd, klok luiden).
Middeleeuwen
De interesse voor tijd beperkt zich aanvankelijk nog tot de cyclische
tijd: zonsopgang, midden van de dag, zonsondergang. De kleur en geur van de
gewassen leverden informatie om wat te doen: de middeleeuwse mens grijpt naar
de structuren in de natuur (bv. wijnmaand, oogstmaand enz). Monniken maken
kalenders waarbij de seizoenen overgoten worden met een christelijk sausje.
In de Middeleeuwen ontstaat ook de dagindeling in (variabele) uren (12 plus
12). Daguren in de winter duurden korter dan in de zomer. Men experimenteerde
met zonnewijzers en water- en zanduurwerken.
Gothiek en Humanisme
Rond de twaalfde eeuw werd het begrip tijd voor het eerst gebruikt in
de relatie tot een tijdsduur (verleden en heden). De momentane waarde van tijd
wordt overstegen, vooral in relatie tot de levensduur van de mens zelf. Het
eerste mechanische uurwerk ontstaat. In principe maakt de tijd zich nu los van
de cyclische natuur om zich als een zelfstandige grootheid voor te doen. Er
ontstaat dan een nieuw soort tijdsbeleving: lineariteit en onomkeerbaarheid.
Tot dan toe "stroomde" de tijd. In de kunst komt het eigenstandige
van het moderne tijdsbegrip tot uitdrukking in de polyfone muziek. Men
beschikte over een onafhankelijke tijdseenheid waarmee de intervallen van de
onderscheiden melodieën onderling konden worden vergeleken. Naast de
kathedraal ontstaat de stadsklok als statussymbool. Men rekent alleen in uren;
minuten en seconden komen pas veel later.
Het christendom blijft tijd zien als onderdeel van de goddelijke eeuwigheid.
Rond 1600 wordt de Gregoriaanse kalender ingevoerd die de Juliaanse gaat
vervangen.
Barok
In de Barok-periode (1600-1800) vindt de overtuiging ingang dat in de
natuur een tijd heerst die onafhankelijk is van elk fysiek gebeuren (Newton,
Galileï). Naast de lineaire tijd (die met name van belang is voor het
individuele bestaan) ontstond een daarvan autonome, absolute tijd van de
fysica, die elke doelgerichtheid met kracht ontkent.
Christiaan Huygens (1650) geeft met de uitvinding van zijn slingerklok en de
toevoeging van minuten en seconden een extra impuls aan de zoektocht naar een
zuiverder tijdmeting. In de Barokperiode wordt ook een begin gemaakt voor
afspraken over standaardisering op mondiaal niveau (Greenwich Time).
Verlichting
Tijdens de Verlichting wordt tijd losgemaakt van alle goddelijke
verbindingen. De meest radicale poging vond plaats in Frankrijk (1793): de
invoering van een geheel nieuw kalendersysteem waarin het christelijk tijdperk
vervangen werd door het republikeins tijdperk: de geboorte van de nieuwe staat
komt in de plaats van de geboorte van Jezus als begin van de jaartelling. De
maand werd verdeeld in drie cycli van tien dagen, er kwamen ‘boomdagen’ in
plaats van heiligendagen enz.
Moderne tijd
De tijd komt in handen van de natuurwetenschappen. Tijd en de moderne
klok worden hét middel om de werktijden van arbeiders in de hand te houden.
De kloktijd dringt zich agressief op aan het gedragspatroon van een hele
beschaving via de industrialisatie (prikklok, lopende band, tijdschrijven).
Niet de mens is de metronoom van de arbeid, maar de machine zelf
(continu-dienst).
In de 19e eeuw wordt punctualiteit
(op tijd komen) zo ongeveer de hoogste morele deugd. De kerk hielp hierbij de
ondernemer. In de arbeidswereld worden woorden als ritme, spontaneïteit,
bezinning vervangen door snelheid, toekomstgerichtheid en bezieling. Na de
uitvinding van de veer en vervolgens het digitale horloge is de klok overal en
bij iedereen aanwezig, dwingend en bepalend. Het digitaal horloge maakt de
tijd nog sterker tot een fenomeen op zich. Het vertoont cijfers in een
vacuüm: alleen de tijd van het moment elimineert het referentiepunt waardoor
je kunt zien waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat. Ondanks alle
efficiency-maatregelen lijken we steeds meer tijd tekort te komen en met name
tijd voor onszelf.
We haasten ons te pletter! Druk,. druk, druk.
Maar toch: de aan de natuur verbonden tijdsopvatting heeft nog altijd zijn
geldigheid en drukt zijn stempel op ons doen en laten: eb en vloed. En in onze
sterk geïndividualiseerde samenleving hebben we de kloktijd hard nodig om met
elkaar nog iets sociaals te kunnen doen!
(naar een workshoppaper van René Eijssen)
Terug naar
overzicht