VUUR VARIA
|
Helemaal vuur worden
Op een keer, lang geleden, ging abba Lot eens langs bij abba Jozef. Hij zei:
"In de mate van het mogelijke houd ik mij aan een kleine regel en aan
elke kleine vasten. Ik bid wat, en mediteer en respecteer de stilte. Wat zou
ik nog meer kunnen doen?" De oude monnik stond recht, strekte zijn
handen uit naar de hemel en het leek of zijn vingers veranderden in
brandende toortsen. Hij zei: "Waarom zou je niet helemaal vuur
worden?"
(Uit: J. Chittister, Het vuur onder de as. Averbode/Berne, ISBN
90-762-4206-2)
|
KIJKEN NAAR EEN KAARS
'Een kaars is een kaars', zeggen we gemakkelijk, maar is dat alles wat er
te zeggen valt. Als we de moeite nemen om aandachtig naar een kaars te kijken,
valt er heel wat te zien; heel wat meer dan we ons bewust zijn als we 'zomaar'
in een kaarsvlam staren. We kunnen dat proefondervindelijk gewoon eens keer
proberen.
We zorgen er voor dat we voldoende, verschillend gevormde kaarsen hebben,
zowel kaarsen die nog niet gebrand hebben als kaarsen die al wel aan geweest
zijn. In groepjes van twee gaan we naar de kaarsen kijken. We gaan vervolgens
proberen zoveel mogelijk te zien aan een kaars die nog niet gebrand heeft, aan
een kaars die al wel gebrand heeft maar nog uit is en ten slotte aan een kaars
die aan is. Samen proberen we er achter te komen welke zaken echt iets over de
kaarsen vertellen.
De vorm van kaarsen is blijkbaar niet relevant want alle kaarsen kunnen
branden, al zal de een dat beter doen dan de ander. Dat kunnen we zien als we
de nieuwe kaarsen vergelijken met kaarsen die al gebrand hebben.
De lont is blijkbaar een andere kwestie. Bij alle kaarsen zal die op
dezelfde wijze gekromd zijn. Ook kan blijken dat dit mogelijk ook iets te
maken heeft met de bovenkant van een kaars, die steeds wat schuin wordt als
een kaars gebrand heeft. En met behulp van een loep valt te zien, dat een
gebruikte lont steeds in dezelfde volgorde verschillend van kleur is (van wit
via lichtgeel en bruin naar zwart), terwijl dan ook de gevlochten structuur
ervan beter zichtbaar wordt.
Als we de kaarsen aansteken vallen er weer andere dingen te zien: hoe gaat
het aansteken en het branden; in wat voor patroon bewegen de stof- en
asdeeltjes in het vloeibare kaarsvet; wat voor invloed heeft de beweging van
de lucht? En zelfs als we de kaars doven door ze bijvoorbeeld uit te blazen
zijn er dingen die opvallen.
Kortom: Wat zien we allemaal niet als we geboeid worden door een kaars.
(Bewerking van de paragraaf: Kijken naar een kaars, uit het artikel:
Concentratie als voorwaarde, van W. Derkse. In: Streven
64[1997]4, p. 293-294)
|
Mens en vuur
De mens is een vuur.
Zijn spraak is de brandstof,
zijn adem de rook,
zijn tong de vlammen,
zijn ogen de kolen,
zijn oren de vonken.
(oud indiaans spreekwoord)
|
VUURGEESTEN
Rond vuur zijn in de loop der tijden allerlei wezens gedacht. Zo zouden de
vlammen salamanders zijn, die in staat zijn om in vuur te leven. Bijzonder en
bekend is ook de Phoenix, een prachtige vogel met rode en gouden veren. Als
zijn uur gekomen was, bouwde hij voor zichzelf een stapel van geurig hout, die
dan door de zon in brand vloog. En uit de as werd weer een nieuwe Phoenix
geboren.
De vuurgeest die we het beste kennen, is de draak. Hoewel we er nooit een
gezien hebben, weten we allemaal hoe draken er uitzien: grote slangachtige
beesten met schubben, vleugels en een lange staart. Ze hebben angstaanjagende
tanden, een gespleten tong en reusachtige neusgaten, waaruit ze vuur kunnen
spuwen. Draken leven van jonge meisjes en worden meestal bestreden door
dappere jongelingen.
Vuurgeesten en zeker draken vragen er bijna om getekend te worden.
(Naar: M. Hoffman/J. Ray, Aarde, vuur, water, lucht. Christofoor,
Zeist, 1995)
|
Vuurgod
Zwarte god, vuurgod,
vandaag vraag ik om uw hulp.
Met een zigzagbliksem die uit uw tenen barst,
zult u mij verdedigen.
Met uw gewaad van vuursteen zult u mij beschermen.
Met de zigzagbliksem die uit uw scheiding barst,
zult u mij weer gezond maken.
Met uw geest die angst en schrik verspreidt,
zult u mij genezen.
(gebed om genezing van de Navajo-indianen)
|
VUUR MAKEN
Vuursteen
Strijk in het donker met vuursteen over het ruw oppervlak van een vijl. Na
enige oefening zullen de vonken er af vliegen omdat door de wrijving van de
vuursteen op het staal plaatselijk zoveel warmte ontstaat dat stukjes van de
vijl gloeiend heet worden.
Vuurboor
Voor een vuurboor heb je nodig: een stukje touw; twee takjes; twee blokjes
hout met een kuiltje; en iets brandbaars, bijvoorbeeld papiersnippers of een
plukje droog gras.
Maak van één van de takjes en het touw een boog. Sla het touw een keer om
het andere takje. De onderkant van dat takje rust in het kuiltje van één van
de twee blokjes, waar je ook wat brandbaar materiaal bij legt. Het andere
blokje neem je in je hand en drukt er zacht mee op de bovenkant van het takje.
Met je andere hand maak je nu een heen en weer gaande beweging met de boog. In
het kuiltje onderin krijg je nu wrijving. Daardoor kan het brandbaar materiaal
gaan smeulen. Als je er ook nog zacht bij blaast, zal het gaan branden.
VUUR GAAT UIT
Neem een waxinelichtje en steek dat voorzichtig aan. Zet er vervolgens een
glazen pot overheen. Op een gegeven moment zul je merken dat de vlam van het
waxinelichtje uitgaat. En verder zul je kunnen zien, dat het glas beslaat als
(de inhoud van) de pot afkoelt. Er blijkt dan waterdamp vrijgekomen te zijn.
Zet een drijfkaars brandend op water en plaats er een glazen pot op zijn
kop overheen. Net als bij het vorige proefje verbruikt de brandende kaars de
zuurstof in de pot. En ook deze keer is het gevolg daarvan dat de kaars
uitgaat. Deze keer zul je bovendien zien dat het water in de pot omhoog komt,
omdat er ook een verschil in luchtdruk is ontstaan binnen en buiten de pot.
(Deze proefjes zijn ontleend aan: A. Bon, Vuur;
K. Taylor, Warmte; en
W.
Meyer Ricard, Spelen onder de boom; Werkmap over de natuur.
NOT, Hilversum.)
HEL EN VAGEVUUR
In het overgeleverde gelovige denken van het christendom is hel de
woonplaats van de duivel en de plek waar gestrafte zondaars verblijven.
Trouwens, de idee 'hel' is geen typisch christelijk gegeven; we vinden het ook
in het Zoroastrisme, het Japanse Boeddhisme en ook veelvuldig in de Islam.
Het christelijk denken heeft mogelijk wortels in het late Jodendom, zoals
we dat in het oude testament aantreffen, terwijl er ook in het nieuwe
testament passages zijn te vinden die aanleiding kunnen zijn geweest voor de
plastische, vurige voorstellingen die men zich in de loop der tijden van de
hel heeft gemaakt. We hoeven hier bijvoorbeeld alleen maar te denken aan
enkele schilderijen van Jeroen Bosch. Ook worden wel parallellen getrokken met
openbare terechtstellingen met vuur, die ooit gewoon waren. Met name wordt dan
gedacht aan de straf voor ketters en andere mensen die het vervolgen waard
werden geacht. Hen viel doorgaans de vuurdood op de brandstapel ten deel.
Dergelijke terechtstellingen zouden dan de angst gevoed hebben voor de hel en
later voor het vagevuur.
Bij het vuur van vagevuur hebben we helemaal te maken met een later
bedenksel, waaraan de zuiverende werking die men ook bij vuur vaststelde, niet
vreemd zal zijn geweest. De gedachte achter vagevuur was namelijk in eerste
instantie een louteringsplek, waar nog aanwezige ongerechtigheden van het
aardse leven werden weggewist of weggevaagd alvorens men kon toetreden tot een
eeuwig, goddelijk paradijs.
|
Leven als het vuur
Ik leef bij dezen als het vuur:
Gij zijt het blindelingse doel
waartoe de vlam zich kromt en hoe
al wat ze raakt verzengt
tot grijze haat, geen wil weerhoudt
den wil die recht
tot u ingaat.
(Gerrit Achterberg)
|
Terug naar
overzicht